AAS 33 (1941), p. 279
eigen leven en dat zijner kinderen: zóózeer is het rijk der natuur gericht
op het behoud van den mensch.
Maar bedenkt, dat deze plicht en het daaraan beantwoordend recht
op arbeid aan het individu wordt opgelegd en gegeven allereerst door
de natuur, en niet door de gemeenschap, alsof de mensch niets
anders ware dan een eenvoudige slaaf of functionaris van de maatschap
pij. Hieruit volgt dat de plicht en het recht om den arbeid van het volk
te regelen op de eerste plaats toekomt aan hen, die daarbij onmiddellijk
belang hebben, aan de werkgevers namelijk en de arbeiders. Als dezen
dan hun taak niet vervullen of door bijzondere buitengewone omstan
digheden niet vervullen kunnen, dan is het taak van den Staat, in de
verdeeling en uitdeeling van den arbeid, tusschenbeide te komen in die
mate en in dien vorm, die door het goed-begrepen algemeen welzijn
wordt vereischt.
In ieder geval moet iedere wettige en heilzame Staatsinmenging op
het gebied van den arbeid zoodanig zijn, dat het persoonlijk karakter
daarvan bewaard blijft en geëerbiedigd wordt, zoowel wat betreft de
beginselen als — binnen de grenzen van het mogelijke — wat betrekking
heeft op de uitvoering. Dit zal geschieden als de voorschriften van den
Staat de uitvoering van andere evenzeer persoonlijke plichten en rechten
niet afschaffen, noch de verwezenlijking ervan onmogelijk maken. Zulke
rechten zijn het recht op den waren dienst van God; op het huwelijk; het
recht der echtgenooten, van vader en moeder, om het echtelijk en hui
selijk leven te leiden; het recht op een redelijke vrijheid in de keuze van
een levensstaat en in het volgen van een werkelijke roeping; dit laatste
is een verheven en, meer dan eenig ander, persoonlijk recht van den menschelijken
geest, wanneer er nog bijkomen de hoogere en onvervreemd
bare rechten van God en van de Kerk, zooals bij de keuze en de uitoe
fening van priester- en kloosterroeping.
Het gezin
Volgens de leer van Rerum novarum heeft de natuur zelf den privaat
eigendom allerinnigst verbonden met het bestaan der menschlijke maat
schappij en haar ware beschaving, en bovenal met het bestaan en de ont
wikkeling van het gezin. Deze band blijkt meer dan duidelijk. Moét het
privaat eigendom niet aan den huisvader die gezonde vrijheid verzeke
ren, die hij noodig heeft om de hem door den Schepper opgelegde plich
ten te vervullen, die betrekking hebben op het stoffelijk, geestelijk, gods
dienstig welzijn van het gezin?
In het gezin vindt het volk den natuurlijken en vruchtbaren wortel
op het behoud van den mensch.
Maar bedenkt, dat deze plicht en het daaraan beantwoordend recht
op arbeid aan het individu wordt opgelegd en gegeven allereerst door
de natuur, en niet door de gemeenschap, alsof de mensch niets
anders ware dan een eenvoudige slaaf of functionaris van de maatschap
pij. Hieruit volgt dat de plicht en het recht om den arbeid van het volk
te regelen op de eerste plaats toekomt aan hen, die daarbij onmiddellijk
belang hebben, aan de werkgevers namelijk en de arbeiders. Als dezen
dan hun taak niet vervullen of door bijzondere buitengewone omstan
digheden niet vervullen kunnen, dan is het taak van den Staat, in de
verdeeling en uitdeeling van den arbeid, tusschenbeide te komen in die
mate en in dien vorm, die door het goed-begrepen algemeen welzijn
wordt vereischt.
In ieder geval moet iedere wettige en heilzame Staatsinmenging op
het gebied van den arbeid zoodanig zijn, dat het persoonlijk karakter
daarvan bewaard blijft en geëerbiedigd wordt, zoowel wat betreft de
beginselen als — binnen de grenzen van het mogelijke — wat betrekking
heeft op de uitvoering. Dit zal geschieden als de voorschriften van den
Staat de uitvoering van andere evenzeer persoonlijke plichten en rechten
niet afschaffen, noch de verwezenlijking ervan onmogelijk maken. Zulke
rechten zijn het recht op den waren dienst van God; op het huwelijk; het
recht der echtgenooten, van vader en moeder, om het echtelijk en hui
selijk leven te leiden; het recht op een redelijke vrijheid in de keuze van
een levensstaat en in het volgen van een werkelijke roeping; dit laatste
is een verheven en, meer dan eenig ander, persoonlijk recht van den menschelijken
geest, wanneer er nog bijkomen de hoogere en onvervreemd
bare rechten van God en van de Kerk, zooals bij de keuze en de uitoe
fening van priester- en kloosterroeping.
Het gezin
Volgens de leer van Rerum novarum heeft de natuur zelf den privaat
eigendom allerinnigst verbonden met het bestaan der menschlijke maat
schappij en haar ware beschaving, en bovenal met het bestaan en de ont
wikkeling van het gezin. Deze band blijkt meer dan duidelijk. Moét het
privaat eigendom niet aan den huisvader die gezonde vrijheid verzeke
ren, die hij noodig heeft om de hem door den Schepper opgelegde plich
ten te vervullen, die betrekking hebben op het stoffelijk, geestelijk, gods
dienstig welzijn van het gezin?
In het gezin vindt het volk den natuurlijken en vruchtbaren wortel